Rense Sinkgraven – stadsgedichten

Piramide met sleutelgat

 

Dit hemel op aarde noemen,

greep naar de sterren, knipoog naar God.

Icoon, slanke verleider, wangedrocht.

 

Ze zullen je haten, van je houden.

Laat je omarmen door het warme plein.

Je hart verlicht de blinde nacht.

 

Een sleutel opent de nieuwe stad.

Een dromer leegt zijn laatste glas.

Een meisje danst wat zonlicht in de dag.

 

In een café mompelen oude mannen

over wat geweest is.

 

(Voor het Groninger Forum)

 

Spiegelstad

 

Er is een stad onder de stad. Ik

en mijn schaduw.

 

Eens voer ik op een lekgeslagen boot,

dook onder, vond een poort.

Daar zat een nimf met rode haren.

Ze zei: Waar bleef je toch?

Ik heb zo lang op je gewacht.

 

We ijlden koortsige nachten weg,

dronken de roes tot braaksel,

dobberden in het neon van de stad.

Dagen helder als vloeibaar ijs

met koudvuur van het vaste weten

dat zwart zo diep moet zijn.

 

Ik ben gegaan, zij is gebleven.

Iedere nacht hoor ik haar stem.

Laat me slapen, voor altijd slapen.

Nooit zul je me meer zien.

Schepen vertrekken naar daar

waar de zee.

 

Nu staar ik uit het raam, gestaag

valt miezerregen.

Roodborstje wat ben je mooi!

Hoor het lied der zilvermeeuwen

over lang verlaten havens.

 

Prinsenhofgaerde

 

De tijd in zon gemeten,

nacht in maan.

De toekomst is herbouwd

in kruiden en rozen.

Erotika, Duftwolke, oude stokroos.

onder de 12 sarcken pedestallen

sal hij een nieuw fundament leggen

– 4 voet viercant, 3 voet diep

De muur houdt de stad op afstand.

Tijd is nu en alles geurt. Jij bent bij me.

Zie blanke dames, bang voor zon.

Soldaten brassen. Zusters bidden

voor zijn wederkomst. Er is kruid

gewassen tegen elke kwaal:

Aartsengelwortel, Mariadistel.

een nieuwe meloenback lanck 12

voet en soo wijt als de olde, 3

voet diep in de grondt

Een kus in avondlicht, een afscheid.

Hoe lang de zon nog schijnen zal.

Dat dit voorbij was.

 

Ogenblik

 

Heb je nog één keer rondgekeken,

gestaard naar de wolken, wachtend op zon?

Hoorde je vogels achteloos fluiten?

Las je de naam en dacht je aan haar?

Of was de dood een trefzekere

hamer, een simpele klap?

De stad was je thuis, een huis zonder kamers.

De stad was een vlucht, lege dagen door.

Je keek om je heen, zag de nesten,

de kraaien, een trap naar de hemel,

een afvalbak.

Je bed was het gras, de dekens een houvast.

Je ging slapen want je was moe.

 

(I.M. Berend Noz, 15 juni 1939 – 11 april 2007)

 

Emplacement

 

Dit station is opgeheven.

Dit spoor loopt dood.

 

Nog even geur van pijptabak

en rozen rond het raam.

Het speelveld is al leeg.

 

Een steen gedenkt het oude

jaar. De kalender zwijgt.

De huizen slapen.

 

Hoor de treinen gaan.

De koffers staan klaar.

 

(bij de sloop van de Grunobuurt)

 

Magdolna László

 

Je droeg Hongarije in je mee,

kom eet en drink, wees welkom.

Waar je lief is, is je land.

Je zong een klaagzang:

Johannes Vink,

Jan Vink is dood.

Je zocht hem in straten,

in foto’s van later, in woorden

van toen. Nu vindt hij jou.

Magdolna László,

mevrouw Vink is dood.

 

(I.M. 24 februari 1955 – 17 oktober 2007)