Stadsgedichten

 

Fundament

 

als je tussen vier muren slaapt maar
de wind binnen voelt waaien, dan weet je
een huis is meer dan stapels stenen

 

als je ooit hebt gezongen, van lauwerszee
tot dollard tou, de toren hebt beklommen, dan weet je
je raakt de aarde met meer dan alleen je voeten

 

je zegt, mijn huis is een huls, een lijf
dat bij elkaar moet worden gehouden
je wordt gestut, je schudt je hoofd
achter elke deur staat hetzelfde beest

 

je denkt, ik word pas geholpen als ik val
zo gaat het meestal met de meesten

 

maar jij, je staat op en trekt je schoenen aan
begeeft je naar de barricades, want je weet ook

 

het is niet alleen mijn huis
ik ga niet lijdzaam wachten tot de stenen breken

 

en zien hoe de barsten alles tot halven maken

(ter gelegenheid van de demonstraties in Groningen, tegen de gaswinning)

 

*

 

Firmament

 

het woekert cement en beton
we worden wakker van sloophamers en
de bassende stemmen van straatleggers
in onze kelders ligt iets groots te slapen

 

alsmaar groter en groter bouwen we
als we van oost naar west fietsen
bellen we dat we later komen

 

we zijn een puber die merkt dat hij groeit
dat dat soms pijn doet
we worden samen een slungelige aap die
nieuwe bewegingen leert kennen

 

iemand zegt: je moet eerst slopen
om te kunnen bouwen

 

iemand zegt: je moet eerst bouwen
om te kunnen slopen

 

in het puin staat een roze bord dat zegt:
hier wordt aan onze toekomst gewerkt

 

en we groeien: alsmaar omhoog
en omhoog
en omhoog

 

(ter gelegenheid van de bouwwerkzaamheden in de stad)

 

*

 

Stilleven

Vismarkt, kwart over acht ‘s avonds.
Er ligt nog ijs op de kasseien.
De marktkraam is allang afgebouwd.

 

Een vrouw heeft twee papegaaien op het stuur van haar fiets.
Twee studenten lopen naar een feestje.
Een van hen is verkleed als dinosaurus.

 

Een man komt laat terug van zijn werk.
Hij wil ergens heen vanavond, maar ook niet.
Soms wil je twee dingen tegelijkertijd.

 

Een pianist speelt Wagner in een restaurant.
Een vrouw heeft zin in patat maar bestelt vis.
Haar eten smaakt beter met de juiste man.

 

De nacht start.
Iemand slaapt alleen.
Iemand slaapt met een ander.
Iemand slaapt niet.

 

(een ode aan de Vismarkt)

 

*

 

Stilleven

 

mijn broertje en ik doen alsof we
kunstenaars zijn met stoepkrijt
dat net zo pastel is als snoepgoed
normaal gesproken hebben we ruzie
en dan krab ik hem weleens

 

maar nu tekenen we op tegels en
het worden de mooiste tekeningen
die ik ooit heb gemaakt
juist nu mama er niet is
om het te zien, ze gaat net
twee emmertjes water halen

 

mijn broertje en ik willen het laten staan
vragen: tot het gaat regenen?
maar het gaat niet regenen, zegt ze
het is eind mei en warm en ik denk:

 

sommige dingen kunnen pas
als de zomer voorbij is,
maar dan is het te koud en
hebben wij weer ruzie

 

(over de discussies in het Noorden over het al dan niet toestaan van stoepkrijten)

 

*

 

we heffen het glas

 

ik was achttien, had mijn examen gehaald
besloot na de zomer psychologie te studeren
op de eerste dag zat mijn moeder op het terras
van Café de Minnaar op me te wachten

 

ze dronk ijskoude cassis
terwijl ik op de foto werd gezet
gewogen en beklopt als een meloen
om te zien of de scholier al rijp was

 

aan het einde van de dag kwam ik
goodiebag met pennen en folders in de hand
bij de kroeg en ik kreeg er
een glas bier van de barvrouw

 

ze zei: dit wordt het eerste biertje van velen
waarop mijn moeder halfslachtig glimlachte
en haar glas cassis hief om met me te proosten

 

(een ode aan de Hortusbuurt)

 

*

 

De vis

Je hebt een hart als een bleek zeedier
een schubbige vis die zich verbergt
in het zeewier van je ribben

 

Al vaker ging het sneller kloppen
van glanzende auto’s met zachtleren stoelen
de glimlach van een meisje dat
zich vertaalt als: kom hier

 

Je stond eerder aan het bed van een ander
dook erin alsof je terugging in het water
Vaak was dat het begin van iets
ditmaal was het een einde

 

Je denkt aan goud en aan vrouwen
wikkelt vingers om kelen
houdt je ogen dicht
in een poging het water
binnen te houden

 

Het allerergst, zeg je,
is als iemand je ziet
overstromen.

 

(voor de bundel Moordballaden samengesteld door Bart FM Droog – over een moord in Groningen, in de jaren ’90.)

 

*

 

De tong

Ik volg elke dag het nieuws, ik ben een betrokken burger.
Vaak kijk ik het, om tijd te besparen, tijdens het eten
wat erg van Syrië en er moet meer zout op.
Daarna kijk ik acht afleveringen van een serie op Netflix.

 

Ik zie een foto van een kind en een aasgier,
denk ik moet nu iets voelen en voel me schuldig.
Iemand zegt tegen mij: je mag alles zeggen en ineens
weet ik niet meer wat. Er is teveel mogelijk.

 

Het is als een kies die rot in mijn kaak
als ik het met mijn tong aanraak voel ik hoeveel pijn
het doet en daarom blijf ik er vanaf.
Vanaf nu kauw ik alleen nog maar met rechts.

 

 

Ik zoek in het woordenboek: wat betekent allochtoon,
wat betekent homo, wat betekent vrouw,
vraag me af wat er eerder was, het woord of de mens.
Iemand zegt tegen mij: zoiets zeg je niet.

 

De collectanten bellen altijd om etenstijd aan
en daarom eet ik later. Ik doe de deur pas open
als iemand mijn telefoon belt,
ik wil eerst weten met wie ik te maken heb.

 

Ondertussen staat het journaal van acht uur aan
worden er nummers opgenoemd van hoeveel mensen
zich hebben bezeerd, hoeveel er vanmorgen nog waren
en nu niet meer.

 

 

Mijn tong voelt aan de kies en krijgt bevestigd:
de pijn zit er nog en hij is erger geworden.

 

(voor Bevrijdingsfestival)

 

*

 

De tong

 

Hier kun je met je ogen dicht aanwijzen in welke boom je het best kunt klimmen.
Onder de dakpannen nestelen boerenzwaluwen en in de lente
word je telkens wakker van kuikens die hun moeder om voedsel vragen.

 

Het staat zwart op wit: je moet weg van huis.
Zo doodgewoon staat het op papier, dat je netjes je koffers gaat pakken.
Het lastigst is om te kiezen wat je niet meeneemt.

 

Vroeger was tijd hetzelfde als afstand:
later is nog eeuwen weg en hoelang doe je erover om ergens te komen?
Je leert dat een kilometer een heel mensenleven kan zijn.

 

Ze lieten een kleine kier waardoor je de lucht kan zien.
Soms zie je een flard van een wolk, of vaag voorbij flitsend groen.

 

Je denkt aan de kuikens die het nest verlaten,
hoe dicht ze soms langs de grond schampen.

 

(voor Dodenherdenking)

 

*

 

De scherven

 

’s Ochtends rond een uur of negen
komen ze een voor een naar buiten
om te stoep te vegen: de winkeliers
bekijken hun etalage nog eenmaal
voordat de dag begint

 

Steeds minder komen hun klanten
nog binnen, ze kijken schichtig
naar beneden als ze de winkel
passeren, ze zien de met zorg
uitgestalde waren niet, alleen nog
de waarschuwing, ze lopen door

 

Hij staat op straat met een bezem
in zijn hand, onder de voeten van
voorbijgangers kraakt het gevaarlijk
door het ontbreken van hun groet

 

In het ochtendlicht horen dagen nog
brandschoon te lijken. Hij veegt en veegt,
probeert de scherven aan de kant te krijgen.

 

(voor de herdenking van Kristallnacht)

 

*

 

Hij is weg

 

Eerst schieten er alleen grote woorden in je hoofd:
verdriet, afscheid, pijn, verlies – je kent de woorden wel
maar snapt nog niet dat er een extra lege stoel in het huis is.

 

Wanneer je in bed ligt hoor je nog zijn gestommel beneden,
het koffiezetapparaat, de radio, zijn gewicht op de traptreden
waardoor je weet dat hij in de buurt zijn, maar nee.

 

Nog nooit eerder was een korte zin zo hard,
zo onoverkomelijk waar, je durft het niet te zeggen
in je angst om het erger te maken, je fluistert:
Hij is weg.

 

En je verwacht dat het op het nieuws komt:
tussen migratie en parlement en koningshuis
staat hij met jou op de foto, daaronder in grote letters:
Hij is weg.

 

Het komt niet in het nieuws.
Er is een extra stoel en ’s ochtends geen koffie.

 

Maar langzamerhand wordt de zin minder hard,
je zegt het nog steeds liever niet, maar hebt
andere woorden gevonden.

 

Je zegt niet: hij is weg.

 

Je zegt: hij was bij mij.

 

(voor Allerzielen op het Selwerderhof)

 

*

 

Wat een huis is

 

In feite niets meer dan muren en een dak,
nota bene neergezet door een ander.

 

Je betaalt een bedrag en in ruil daarvoor
mag je ruimte innemen – kleding in je kast,
brood op de plank, verjaardagskalender.

 

Een huis kan groeien als het nodig is,
je kan kamers laten toevoegen, of
het zelf doen, je kan zeggen:

 

Ik wil drie woonkamers
een voor de ochtend,
een voor de middag,
een voor de avond.

 

Bij drie maaltijden per dag
zal je opmerken hoe het licht
in elk vertrek anders valt.

 

(over de herindeling – Groningen, Haren en Ten Boer)

 

*

 

Stad van verhalen

 

Er is een gebouw in een stad vol gebouwen
die mensen naar binnen lonkt met de belofte
van letters en woorden

 

Je moet er oren voor hebben
je kunt het gefluister niet horen als je haast hebt of
denkt aan de huur, de boodschappen, de was

 

Als je goed luistert, ga je
voorbij de portier en de studerende studenten,
voorbij de vrouw met haar koffie en haar krant
voorbij het kind aan de hand van zijn moeder

 

Als je het spoor volgt, vind je
nieuwe steden gebouwd van inkt op papier
en kun je oneindig verre reizen maken door
ademloos een boek open te slaan

 

Er is een gebouw in een stad vol gebouwen
die op zijn beurt meer steden herbergt
Het is een stad van verhalen, je hoeft alleen maar
heel goed naar ze te luisteren.

 

(ode aan de bibliotheek)

 

*

 

Cappuccino alsjeblieft

 

ik nam al mijn dates mee
naar dezelfde koffiezaak

 

tot een tweede dat kwam het nooit
maar het personeel begon me te herkennen

 

dat tenminste wel

 

(voor de talloze koffiezaken in de stad)